Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0543

Datum uitspraak2006-08-16
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers49692 HA ZA 05-494
Statusgepubliceerd


Indicatie

LCN legt in de eerste plaats aan haar vordering ten grondslag dat de Rabobank door haar opstelling LCN genoodzaakt heeft de ''relatie met haar te beëindigen en om haar bankzaken onder te brengen bij de ABN AMRO Bank en aldus tot een vervroegde aflossing van de lening is gedwongen. ''


Uitspraak

vonnis RECHTBANK MIDDELBURG Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 49692 / HA ZA 05-494 Vonnis van 16 augustus 2006 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid L.C.N. HOLDING B.V., gevestigd te Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland, eiseres, procureur mr. B. van Leeuwen, tegen de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK SCHOUWEN-DUIVELAND U.A., gevestigd te Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland, gedaagde, procureur mr. C.J. IJdema, advocaat mr. M.J. Muller te Utrecht. Partijen zullen hierna LCN en de Rabobank genoemd worden. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 21 december 2005 - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 31 januari 2006 - de akte bewijsaanbod - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek - de akte uitlating productie tevens houdende akte aanvullend bewijs. De feiten Tussen partijen bestaat sinds 1996 een zakelijke relatie. In het kader daarvan heeft de Rabobank aan LCN een lening verstrekt van f 1.500.000,00 op de in de door partijen op 8 december 2000 ondertekende Schuldbekentenis vermelde voorwaarden. Op de verhouding tussen partijen zijn van toepassing de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000. Artikel 25 van die voorwaarden luidt voor zover hier van belang als volgt: (…) Bij vervroegde aflossing is de debiteur een vergoeding verschuldigd. De vergoeding is gelijk aan het verschil tussen de door de debiteur verschuldigde rente en de vergelijkingsrente, berekend over het vervroegd af te lossen bedrag over de periode vanaf het moment van de vervroegde aflossing tot en met de laatste dag van de rentevast periode, waarbij rekening zal worden gehouden met de aflossingen die de bank in die periode zou hebben ontvangen op basis van het met de debiteur overeengekomen aflossingsschema. Het berekende bedrag wordt contant gemaakt op basis van op de interbancaire markt geldende tarieven en op een door de bank te bepalen wijze. (…) Onder vergelijkingsrente wordt in dit artikel verstaan de rente, die de bank zou ontvangen over een bedrag, gelijk aan het bedrag van de vervroegde aflossing, indien zij dat bedrag op het moment van de vervroegde aflossing zou uitzetten op de interbancaire markt voor een periode die gelijk is aan het restant van de rentevastperiode van de geldlening op het moment van de vervroegde aflossing. (…) Op 6 april 2004 heeft LCN, althans haar dochter vennootschap [L.V.] B.V. de Rabobank verzocht om het bestaande krediet voor de duur van drie maanden te verruimen met een bedrag van € 350.000,00. Bij brief d.d. 7 mei 2004 heeft de Rabobank aan [L.V.] B.V. een financieringsvoorstel toegezonden. Dit voorstel vermeldt onder het kopje Te stellen zekerheden: - Borgtocht van EUR 350.000-- afgegeven door LCN Holding B.V. - Borgtocht van EUR 350.000,-- afgeven door [V.] en [adresV.H.]k Op 1 juni 2004 heeft de Rabobank aan L.C.N. Holding B.V. een brief gestuurd met als Onderwerp Aflossingsnota: Geachte heer /mevrouw, Bijgevoegd vindt u een overzicht van onze vorderingen per 3 juni 2004 op LCN Holding B.V. en [L.V.] B.V. (…) Deze aflossingsnota is uiterlijk geldig tot en met 10 juni 2004. Na deze datum dient er een nieuwe aflossingsnota te worden opgevraagd. Bij brief van 8 juni 2004 heeft de Rabobank aan [L.V.] B.V. bevestigd: Conform afspraak bevestig ik hierbij dat genoemde borgtocht in privé in de offerte d.d. 6 mei 2004 alleen geldt voor de nieuwe financiering ad € 350.000, - Deze borgtocht zal dus indien de extra financiering ad € 350.000, - per 1 september 2004 geheel is afgelost c.q. is ingeperkt op de rekening, niet gelden voor de andere financieringen. De ABN AMRO Bank N.V. schrijft op 21 juni 2004 aan de Rabobank dat zij de financiering van bovengenoemde relatie (lees:[L.V.] B.V.) heeft overgenomen en zij verzoekt de Rabobank mede te delen tegen welke voorwaarden zij bereid is om de overige zekerheden vrij te geven. Vervolgens heeft de Rabobank aan Klaassen Notarissen een overzicht van haar vorderingen gezonden, waaronder een post Vergoedingsrente Euro 27.026,64. LCN heeft die vergoeding bij de aflossing van de lening op 28 juni 2004 voldaan. Het geschil LCN vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair Artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 zoals van toepassing op de rechtsverhouding tussen eiseres en gedaagde, zal vernietigen vanwege de onredelijke bezwarendheid voor eiseres; Gedaagde zal veroordelen tot betaling aan eiseres, tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 29.933,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2004 tot de dag der algehele voldoening. Subsidiair De uit artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 voortvloeiende boete bij verklaring voor recht zal matigen tot nihil, althans tot een bedrag dat de rechtbank op grond van de werkelijk door gedaagde geleden schade in goede justitie vermeent te behoren aan gedaagde in verband met de beëindiging van de financieringsovereenkomst. Gedaagde zal veroordelen tot betaling aan eiseres, tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 29.933,09, althans tot een bedrag waarvan de rechtbank in goede justitie meent dat de door gedaagde bij eiseres in rekening gebrachte boeterente door matiging dient te worden verminderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2004 tot aan de dag der voldoening. Primair en subsidiair Met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien gedaagde deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans betekening van het vonnis betaalt, tot aan de dag der algehele voldoening. LCN legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De relatie tussen partijen heeft zich gekenmerkt als een moeizame relatie. De Rabobank is bij herhaling niet bereid gebleken om de bestaande kredietfaciliteiten te verruimen om LCN in staat te stellen de verschillende transacties te financieren. Op 6 april 2004 heeft LCN, althans haar dochter vennootschap [L.V.] B.V., de Rabobank verzocht om het bestaande krediet voor de duur van drie maanden te verruimen met een bedrag van € 350.000,00. De Rabobank was daartoe niet bereid zonder aanvullende zekerheden in de vorm van een privé borgstelling. De Rabobank heeft door haar opstelling LCN gedwongen de relatie met de Rabobank te beëindigen en om haar bankzaken bij de ABN AMRO Bank onder te brengen. Niettemin heeft de Rabobank op grond van artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 een boeterente opgeëist van € 29.933,09. LCN heeft daartegen geprotesteerd maar zij is gedwongen geweest deze boeterente onder protest te betalen. Naar het oordeel van LCN is zij geen, althans minder boeterente verschuldigd nu zij als kredietnemer door de Rabobank tot vervroegde aflossing is gedwongen. Artikel 25 aanhef en onder c van de genoemde voorwaarden is op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek vernietigbaar omdat dit beding onredelijk bezwarend is voor LCN nu zij door de Rabobank gedwongen is geweest haar bankzaken elders onder te brengen. Voorts meent LCN dat de boeterente dient te worden beperkt tot de schade die de Rabobank daadwerkelijk heeft geleden. LCN betwist de juistheid van de berekening van de boeterente omdat de berekening ten onrechte uitgaat van het verschil tussen de contractueel verschuldigde rente en de vergelijkingsrente. Subsidiair is zij van mening dat de boeterente op grond van artikel 6: 94 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden gematigd. De Rabobank heeft zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid tegenover haar gedragen. Door haar veelvuldig belangrijke faciliteiten te onthouden dan wel slechts bereid te zijn deze faciliteiten te verstrekken tegen excessieve voorwaarden heeft de Rabobank misbruik gemaakt van haar positie als huisbankier. De Rabobank voert verweer. De Rabobank herkent zich niet in het beeld dat LCN van haar schetst. De Rabobank heeft de financieringsaanvragen van LCN steeds beoordeeld naar bancaire normen waarbij zowel de belangen van LCN als die van de Rabobank zijn meegewogen. Op 8 december 2000 heeft LCN een lening afgesloten van f 1.500.000,-- tegen een rente van 6,3 % op jaarbasis, vast tot 1 januari 2006. LCN heeft deze lening vervroegd afgelost door het oversluiten van de lening bij de ABN AMRO Bank. De door LCN aan de bank verschuldigde vergoedingsrente bedroeg overeenkomstig artikel 25 c van de toepasselijke voorwaarden € 27.026,66. Bij brief van 4 augustus 2004 heeft de Rabobank een berekening en een specificatie van dit bedrag verstrekt aan de accountant van LCN. De Rabobank betwist uitdrukkelijk dat zij LCN gedwongen heeft om vervroegd af te lossen. Voor de Rabobank bestond geen verplichting om op de door LCN gedicteerde voorwaarde een aanvullende financiering te verstrekken. Zij betwist dat er sprake is van een kennelijk onredelijk beding of dat zij gehandeld heeft in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De door LCN betaalde vergoedingsrente kan ook niet worden aangemerkt als een voor matiging vatbare boete. Er is geen sprake van een tekort schieten in de nakoming van een verbintenis. Het gaat om een bij het aangaan van de overeenkomst overeengekomen vergoeding. De beoordeling LCN legt in de eerste plaats aan haar vordering ten grondslag dat de Rabobank door haar opstelling LCN genoodzaakt heeft de relatie met haar te beëindigen en om haar bankzaken onder te brengen bij de ABN AMRO Bank en aldus tot een vervroegde aflossing van de lening is gedwongen. De rechtbank gaat hier aan voorbij. LCN hanteert naar het oordeel van de rechtbank een verkeerd uitgangspunt. Bij de beoordeling van een verzoek tot verruiming van de tussen partijen afgesproken kredietruimte, mag de bank uitgaan van haar eigen belang, waarbij zij de belangen van de klant niet uit het oog mag verliezen. Dat betekent dat indien de ondernemer een verruiming van het verleende krediet behoeft voor het uitvoeren van zakelijke transacties en de bestaande zekerheden onvoldoende dekking bieden, de bank aanvullende zekerheden mag verlangen. De klant draagt het ondernemersrisico, niet de bank. Gesteld, noch gebleken is dat de Rabobank in dit verband excessieve voorwaarden heeft gesteld. Bij brief van 8 juni 2004 heeft de Rabobank aan LCN bevestigd dat de in de offerte d.d. 6 mei 2004 genoemde borgtocht alleen zou gelden voor de nieuwe financiering ad € 350.000,00. Tussen partijen staat vast dat op de bestaande rechtsverhouding de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 van toepassing zijn. Niet valt in te zien op grond waarvan artikel 25 aanhef en onder c van die voorwaarden kennelijk onredelijk bezwarend is en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Het enige argument dat LCN in dit verband naar voren brengt (dagvaarding onder 12) is het feit dat de Rabobank aan haar bereidheid om een extra financiering van € 350.000,00 te verstrekken aanvullende zekerheden in de vorm van de afgifte van een borgtocht door [V.] en [adresV.H.]k verbond en in de visie van LCN daarmee LCN heeft gedwongen haar bankzaken onder te brengen bij de ABN AMRO Bank waardoor de noodzaak ontstond om de lening van de Rabobank vervroegd af te lossen. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat indien de ondernemer een verruiming van het verleende krediet behoeft voor het uitvoeren van zakelijke transacties en de bestaande zekerheden onvoldoende dekking bieden, de bank aanvullende zekerheden mag verlangen. Een aanvullende zekerheid in de vorm van een borgtocht is niet excessief. De rechtbank zal de vordering tot vernietiging van artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 derhalve afwijzen. Daarmee komt vast te staan dat van een onverschuldigde betaling geen sprake is geweest en dat de eveneens primair gevorderde terugbetaling van een bedrag van € 29.933,09 hetzelfde lot treft. De subsidiaire vordering gaat er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uit dat er sprake is van een bij vervroegde aflossing van de lening verschuldigde boete die voor matiging vatbaar is. In de eerste plaats is gesteld, noch gebleken dat LCN in de nakoming van een verbintenis tekort geschoten is en uit dien hoofde een boete verschuldigd is geworden. Voorts volgt uit de tekst van artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 dat het gaat om een bij het aangaan van de leningsovereenkomst afgesproken vergoeding. Daarmee is ook het lot van de subsidiaire vordering gegeven. De rechtbank zal ook dat onderdeel van de vordering afwijzen. LCN dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering van LCN af; - veroordeelt LCN in de kosten van het geding welke aan de zijde van de Rabobank tot aan dit moment worden begroot op € 660,00 wegens griffierecht en € 1.737,00 wegens procureurssalaris; Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2006.?